Het Limburgse landschap

Limburg is een zeer bijzonder gebied. Zuid-Limburg ligt op de grens tussen het Eifel-Ardennengebied in het zuiden en zuidoosten en de lage landen van de zee in het noorden en het noordwesten. In Limburg ligt oud gesteentemateriaal. Limburg heeft een bijzondere bodemgesteldheid en kent vele bijzondere terreinvormen. 

Het Limburgse landschap is een combinatie van geologie, geomorfologie en klimaat.  Menselijk ingrijpen heeft gezorgd voor wegen vol bochten, uitgestrekte vlaktes, vakwerkhuizen en riviertjes. Alles samen brengt ons Limburg een  uitgebreide flora en fauna.

In de geologische kalender hebben in Limburg vooral de Carboontijd en het Krijttijdperk een bepalende rol gehad. In de Carboontijd, 300 miljoen jaar geleden, was het Limburgse landschap het ene moment een ondiepe lagune en het andere moment een zwaar begroeid kustmoeras. In de Kolentijd maakte Limburg deel uit van een groot dalingsveld in de aardkorst. Het gebied grensde aan de zee. Ten Zuiden lag een gebergte, de resten van dit gebergte zijn de huidige middengebergten in Duitsland en Frankrijk, zoals de Alpen. Het puin en slib dat deze rivieren met zich mee bracht,bracht een vruchtbare laag in de ondergrond, de basis voor het moeras.  In deze twee omgevingssoorten waren traag stromend water, varenachtige planten, schubbenvaren en zegelbomen kenmerkende omgevingsfactoren. Deze gesteentes zijn aan grote druk onderhevig geweest, waardoor in de horizontale afzettingen plooien en breuken zijn ontstaan. In deze gesteentes is veel steenkool te vinden. Voor 1 ½ meter steenkool, is 15 m veen nodig. 

De steenkoollagen zijn alleen in Midden-Limurg aangeboord. Dit komt omdat in de rest van Limburg de lagen te diep zijn gezonken. Midden- en Noord-Limburg is ondergronds een schollenland met hogere en lagere gedeelten, die uit dezelfde laag bestaan , maar door breuken in ongelijke dieptes zijn komen te liggen. Hierdoor ontstaan slenken en horsten. 

De harde, oude gesteenten uit de Carboontijd in Limburg wordt bijna overal bedekt met een pakket van ongeplooide kalk,  zand en klei. Hier begint de Krijttijd.  Richting Noordwesten neemt het pakket in dikte toe. De kalk heeft een grote economische betekenis, zowel als kalk op zich, maar ook als kalk in de vorm van mergel. Hier zijn we bij de economische gevolgen dieper op ingegaan. In de Maastrichtse en Gulpense Kalken is veel vuursteen gevonden. De groeven die ontstaan bij het winnen van de vele Limburgse gronden. De littekens die in het landschap achterblijven vormen een kenmerkend iets voor het Limburgse landschap. Als de zee zich terugtrekt aan het begin van het Teritaire tijdperk, duurt het 25 miljoen jaar voordat de bodem opnieuw daalt en het water kan terugkeren. Het waterklimaat( Oligocene tijd) verandert in een landklimaat( Miocene tijd). Net als in de Carboontijd ontstaat een lagune klimaat, waardoor de latere bruinkool en turf zijn ontstaan.

In de laatste fase van het Teritair Tijdperk is het Eifel-Ardennengebied beginnen op te hogen. Vanuit de Ardennen wordt door het stromend water grind, zand en klei aangevoerd.  In het Kwartair blijft het land ophogen en de rivieren snijden zich steeds meer in het landschap. Afgezette grind- en zandlagen worden gedeeltelijk opgeruimd en verderop in de rivier weer afgezet. Er was een afwisseling te vinden tussen interglaciale en glaciale perioden. Door lagere stroomsnelheden werden op sommige plekken klei afgezet. Vroeger is de Maas een zijrivier van de Rijn geweest. Maas en Rijngrinden zijn van elkaar te onderscheiden aan de hand van de afkomst van de gesteenten en de mineralogische samenstelling. 

In de Kwartaire tijd is ook de löss ontstaan. Tijdens de ijstijd viel het Noordzeegebied droog. De wind liet het fijne zand naar het zuiden waaien, waar het door een botsing met het geheuvelde gebied neerdaalde en een vruchtbare laag over Limburg bracht. 

De Limburgse bodem bevat veel zand en leisteen. Deze lagen zijn ontstaan uit zand en klei, die in stille bochten in de rivier werd afgezet. Op het begin lagen deze lagen horizontaal. De kalksteen in het Geuldal is kalkarm en weinig vruchtbaar. 70 miljoen jaar later ontstonden kalksteenlagen die op de Carboonlaag kwamen te liggen. Deze ontstonden door vele honderden meters bezinkels in de zee. Kalk is een voedselrijke grondsoort.

In Limburg zijn drie gebieden te ontdekken qua bodemkenmerken.

1.     Het Maasdal: een gebied met een vlakke dal bodem met jonge rivierklei en onderliggende grindafzettingen.

2.     De oude Mijnstreek: een gebied met vele groeven in teritaire zanden, grind en resten van de voormalige steenkoolgebieden.

3.     Het Mergelland: Het stroomgebied van de Geul en Gulp, waarin Krijtkalk kenmerkend is.

Erosie, sedimentatie en verwering spelen tot op heden een grote rol in het bepalen van de vorm van het landschap. Deze handelingen zorgen voor opbouw en afbraak van een gebied. Uiteindelijk ontstaat er altijd een grote schiervlakte.  Het Eifel-Ardennengebied is jaren lang een schiervlakte geweest. Vijf miljoen jaar geleden begon het gebied op te hogen en kregen de rivieren een enorme kracht van erosie. Er ontstonden diep ingesneden rivieren, die veel sedimentatie meenamen , die verderop in de rivier weer werd afgezet. Perioden van afzetting en verwering hebben elkaar afgewisseld. 

Zuid-Limburg ligt in het stroomgebied van de Maas. Een kenmerk van de Maas zijn de typerende terrassen. Slechts op bepaalde stukken is er een bestrooiing van afgerold gesteentepuin te vinden. Aan de ligging en vorm van de terrassen is af te leiden dat het Maasdal zich steeds meer in westelijke richting heeft

verplaatst. 

In Limburg zijn veel ondergrondse waterstromen te vinden. Dit komt door de kleilagen die veel te vinden zijn in de Limburgse bodem. Klei laat slecht water door, waardoor het een andere weg gaat zoeken.  Op sommige plekken komt dit grondwater aan de oppervlakte. Dit noemt men een bronnenzone. 

Beekdalen zijn meestal asymmetrisch. Aan de ene kant een wand vol bossen en aan de andere kant een door de mens in gebruik genomen stuk cultuurgrond. In de kalkgebieden zakt het water vrijwel direct naar de bodem, waardoor in deze gebieden nauwelijks ondergrondse stromingen zijn te vinden. Deze gebieden worden droogdalen genoemd. Ze zijn ontstaan tijdens het oudste deel van de Kwartairtijd. De bodem moet voornamelijk bevroren zijn geweest en in de zomers maar gedeeltelijk ontdooid, waardoor regenwater niet kon wegzakken. Door het wegzakken zijn spleten en scheuren ontstaan.

 De Rijn en de Maas hebben om beurten puin en slib afgezet in Midden- en Noor-Limburg. Door verschillende oorzaken zijn er veel verschillende diktes in laagtepakketten. In de Roerdalslenk zijn zeer dikke lagen te vinden. Het Roerdalslenk is een dalend gebied. De rivieren vullen deze lagen constant aan. Gelijksoortige lagen liggen in de slink 60 m of lager in vergelijking tot omringende gebieden. Limburg was eerst het stroomgebied van de Rijn. Naarmate we verder richting het Kwartair komen, vindt de Maas haar oorspronkelijke loop. Door het landijs heeft de Rijn lange tijd in Limburg verbracht. Toen het landijs zich terugtrok, vond de Rijn zijn oorspronkelijke loop.De dalingen van de horst tussen Venlo en Gennep, zorgden ervoor dat de maas Noord-Limburg tot haar stroomgebied kon maken. De Rijn wordt geblokkeerd door de horst van Viersen-Geldern. Het vlechtende rivierenlandschap verdween. In Zuid-Limburg ontstonden terrassen, trapvormige onderbrekingen in de dalwand. Een terras is een oud stroombed, door de rivier achtergelaten na een tijdperk van verticale insnijdingen. Ook door de verandering van stroomrichting kunnen terrassen ontstaan, door het bezonken puin weer te laten bewegen.Klimaatverandering, daling en stijging van de zee en bodemdaling hebben meegeholpen aan het ontstaan van terrassen. Hoe hoger een terras ligt, hoe ouder. Terrassen bestaan uit puinmassa, scherp zand en grove keien. Het jongste Maasdal is kleigrond.

Er zijn verschillende terrassen in Limburg te herkennen. Het Hoogterras is door een ijslob in de ijstijd opgestuwd. Het ligt in het noorden van Limburg. De ontstane wal is de meest zuidelijke stuwwal van Limburg. De ijstijd bracht granietkeien met zich mee van uit Scandinavië. In het 

Noorden van Limburg is ook ven te vinden. Deze laag is op z’n hoogst 1 ½ meter hoog en ligt op een vruchtbare kleilaag. Het Hoogterras komt niet in veel regio’s aan de oppervlakte.
De oud-alluviale terrassen blijven bij hoog water vrij. De jonge alluviale terrassen lopen bij hoog water nog onder, waardoor ze voornamelijk als weiland worden gebruikt.

  

In Limburg zijn ook stuifzandbergen en duinen te vinden. Deze komen zowel met als zonder keien voor. Bekende namen zijn de Heesberg, Steegberg, Schatberg, Hommerberg en Marisberg. Deze bergen liggen allemaal in de omgeving Venlo-Helmond.

In Zuid-Limburg, het met löss bedekte deel zijn er grubben en graften te herkennen. Grubben zijn holle wegen met steil oplopende bermen aan beide kanten. Deze grubben zijn door regenwater ontstaan. Tussen grenzen van percelen in werd akkerafval gelegd, wat later begroeid werd door hakhout en struikgewas.

De natuur is zeer bijzonder in Limburg. Er is een gigantische diversiteit in flora en fauna te vinden.  Bijzondere kenmerken zijn heggen, holle wegen, graften, maar ook zeer zeker de bossen en de kalkgraslanden. Veel rivieren zijn gekanaliseerd en genormaliseerd. Dit heeft een groot verlies van biodiversiteit als gevolg gehad, omdat de oorspronkelijke loop van de rivier verloren is gegaan. 
De Maas is door de bouw van stuwen helemaal gekanaliseerd. Dit is een groot voordeel voor de scheepsvaart. Het grote betekenisvolle kanaal is het Julianakanaal. Deze heeft voor een grotere doorstroom van grote vrachtschepen.

Ten Noorden van Sittard loopt in de ondergrond een grote breuk. De breukzone strekt zich uit van Brunssum, via Born naar het Belgische Bree en begrenst een gedaalde schol aan de Z.W. Zijde. De Noordoost-zijde van het Roerdalslenk wordt gevormd door de breukzone, die de Peelhorst begrenst. Op het oog is niks meer te zien van de verhoogde Peelrand.
Ten Noorden van Sittard loopt in de ondergrond een grote breuk. De breukzone strekt zich uit van Brunssum, via Born naar het Belgische Bree en begrenst een gedaalde schol aan de Z.W. Zijde. De Noordoost-zijde van het 

 Roerdalslenk wordt gevormd door de breukzone, die de Peelhorst begrenst. Op het oog is niks meer te zien van de verhoogde Peelrand. 

De huidige vorm van het landschap van Zuid-Limburg is voornamelijk veroorzaakt door de Maas en  haar zijrivieren. In nagenoeg de hele regio is een dik grindpakket te vinden. Deze lagen waren 10 tot 15 meter dik in een heuvelachtige regio. De Maas heeft zich in dit gebied ingesneden.De hoge bergen in het landschap zijn de overblijfselen van de oude grindbergen. Sommige lagen grind worden bedekt door löss.

Een leuk weetje is dat er groen zand bestaat, althans, zand met een groenachtige kleur. Dit komt door het aanwezige mineraal glauconiet. Dit is te vinden tussen Vijlen en Vaals. 

 Dorpen in Nederland, Readers Digest (blz.176)

De Feldbiss is een breuk in de aardkorst die door de BENELUX loopt. De breuk begint in Aken, Duitsland en loopt verder naar het noordwesten, door het zuiden van Limburg. De breuk vervolgt zijn weg door Belgisch Limburg, Noord-Brabant ten zuiden van Eindhoven en gaat vervolgens verder ten  

noorden van Breda. Vervolgens gaat de breuk verder in noordwestelijke richting door het zuiden van Zuid-Holland. In noordwestelijke richting neemt de sediment dikte toe. Daardoor is er steeds minder van de breuk te merken, omdat deze steeds dieper in de ondergrondkomt te liggen. 

( op het plaatje ziet u de Feldbissbreuk in het landschap in de Brunssummerheide)

Oostelijk van de breuk bevindt zich het Roerdalslenk, westelijk van de breuk een horst. In de horst liggen de geologische lagen dichter aan de oppervlakte, waardoor steenkoolmijnbouw vooral in deze gebieden mogelijk is. 

Nog steeds vinden er verticale verplaatsingen plaats. Het hangt samen met een bepaald reksysteem, begonnen in het Laat-Oligoceen, de periode waarin Europa zich los maakte van Amerika.  De Feldbiss is niet een lange breuk, maar bestaat uit meerdere ongeveer evenwijdige en zich vertakkende breuken. De Geleenbreuk en de Heerlerheidebreuk zijn voorbeelden hiervan.

Enkele jaren is een groot onderzoek rond Sittard uitgevoerd. Hierin kwam het volgende naar voren:Het Feldbiss is in het geheel in het Midden- en Laat-Pleistoceen gemiddeld 41-47 mm verplaatst per duizend jaar. Om uit te zoeken hoe de breuk zich op regionale schaal beweegt, werd een sleuf door de Geleenbreuk en een sleuf door de hoofdbreuk gemaakt. Uit de verstoringen, zichtbaar in de sleuf van de Geleen-breuk, kwam naar voren dat de verplaatsingen het gevolgd zijn van creep langs de breuk. De breukactiviteit nam omstreeks 15.000-10.000 jaar geleden plotseling tijdelijk toe. 



In de sleuf van de Feldbiss zelf werden geen structuren gevonden die op aardbevingen met de bijbehorende vervloeiingen van het sediment wijzen. De verplaatsingen langs de breuk lijken geleidelijk te hebben plaatsgevonden. Het is echter wel waarschijnlijk dat ongeveer 15.000 jaar geleden een of meerdere grotere aardbevingen hebben plaatsgevonden, zonder dat het zichtbaar werd aan de oppervlakte. Deze bevingen zijn zeer bijzonder in het algemeen vrij rustige periode van 50.000 jaar.

Er wordt gesuggereerd dat deze bevingen verband houden met het terugtrekken van de landijskap, die zich uitstrekte tot ongeveer Nijmegen. 

Een horst is een geologisch gedeelte dat na een aardbeving, een afschuiving of een opheffing van de druk onder de gedeelten van land omhoog is gekomen. Bij dit proces zakt een gedeelte naar beneden, de zogenaamde slenk.  

In de aardkern wordt magma opgewarmd De opgewarmde magma gaat onder druk omhoog naar de aardmantel, de laag direct onder de korst. Dit proces heet een stijgende convectiestroom. Door de magma komt de aardmantel onder zeer grote druk te staan, waardoor de aardmantel krom trekt en scheurt. Na het scheuren zakken de zware stukken van de aardmantel en vormen slenken. De gedeeltes die op normale hoogte blijven of stijgen noemt men horsten.

Een al eerder genoemde slenk is een laaggelegen deel van de aardkorst dat langs een breuk naar beneden gegleden is. In een slenk komen vaak vulkanen en meren voor. Vanwege de lage ligging worden slenken vaak opgevuld met afzettingen.

Ook in Limburg is een slenk te vinden, het zogenaamde Roerdalslenk. Deze slenk ligt in de ondergrond van zuidoosten van Nederland, het uiterste noordoosten van België en het westen van Noordrijn-Westfalen. De slenk is ongeveer 150 km lang en 25 km breed.  Het is geen plaatgrens, maar wel een zeer actief gebied.

De Roerdalslenk bestaat uit twee afschuivingsbreuken, in het noordoosten de Peelrandbreuk, de grens tussen Roerdalslenk en de Peelhorst en in het zuidwesten de Feldbissbreuk, de grens tussen de Roerdalslenk het Kempens Blok. De breuken bewegen ongeveer 5 tot 6 cm per duizend jaar De grond daalt voornamelijk. Aardbevingen komen regelmatig voor, zoals in 1992 in Roermond en in 2002 in Aken. In Uden, waarin 1932 een aardbeving plaatsvond, is de Peelrandbreuk in het landschap te herkennen als wijstgronden. Wijstgronden komen alleen voor rond breuklijnen. Hier komt kwelwater naar boven in de grond.

De Peelrandbreuk is in dit gebied zichtbaar als een steile rand in het landschap. Het hoogteverschil met de normale rand is ongeveer 5 meter. Het kwelwater komt omhoog doordat de breuklijn de doorstroming van kwelwater blokkeert, door ongelijke aardlagen, ijzerafzetting, versmering(ernstige beschadiging van de bodemstructuur) en verdichting. Het grondwater staat daardoor zo hoog als het maaiveld. De horsten zijn daardoor erg nat, terwijl verbazingwekkend genoeg de slenken droger zijn.

De Roerdalslenk is onderdeel van het Beneden-Rijnslenksysteem, een groot systeem van horsten en slenken in Europa.  De Roerdalslenk is het meest actieve gedeelte.

De Roerdalslenk is ontstaan op al oudere bestaande structuren die ontstaan waren tijdens het Trias en de Jura. In het Krijt werden deze structuren inactief.

Het Roerdalslenk is actief sinds het eerder vermelde Olicogeen, waardoor de aardkorst ongeveer twee km is gedaald. De daling is opgevangen door de opvulling met sediment.

In het vroeg-Mioceen werd de slenk opgevuld door zee. Er werd zand afgezet, wat later de formaties van Bolderberg en Breda zou vormen.  In het Plioceen was de slenk minder actief. In deze periode werden er door de zee zanden afgezet, de huidige formaties van Oosterhout. Over deze zanden werd zand en grind afgezet door de vanuit het zuiden uitbouwende delta van de Rijn. In het vroege Pleistoceen werd de slenk weer actiever en vulde zich met fluviatiele zanden.  In het Laat-Pleistoceen zorgden ijstijden voor een continue bodemdaling waarin eolisch zand en het bekende löss werden afgezet. In de periodes tussen de ijstijden waren in Limburg moerassen en vennen te vinden, waardoor veen werd afgezet.

De Vrije Universiteit Amsterdam heeft een onderzoek gedaan naar het Roerdalslenk. Met behulp van een nieuw en heel nauwkeurig digitaal model is er gekeken naar de bewegingen en activiteit van de breuk.

De ontwikkeling van het Roerdalslenk is beïnvloedt door het Noordzee-slenksysteem in het noorden en het West-Europese slenksysteem in het zuiden. Bij de Feldbiss zijn aan de oppervlakte verticale verspringingen te zien in de pakketten aan de zijkanten van de breuk. Hieruit kan, in vergelijking met de boorresultaten worden gesteld dat de Feldbiss verticaal beweegt. Er zijn genoeg  bewijzen die aantonen dat de blokken vooral langs elkaar heen schuiven.

De snelheid van de bewegingen hangt blijkbaar af van de plaats. De Feldbiss beweegt gemiddeld 55-65 mm per 1000 jaar. De Peelrandbreuk 65 mm per jaar, in het zuidoostelijke deel. In het noordwestelijk deel liggen de waardes veel hoger, rond de 200 mm per 1000 jaar.

In het zuidwesten is er een echte slenk te herkennen richting het noorden is er nog maar een breukbegrenzing, waardoor er sprake is van een halfslenk.  Er is een loodrecht op de slenkrichting staande rek. Deze is in het noordwesten groter dan in het zuidoosten. Uit sedimenten blijkt dat deze rek al sinds het Mioceen bestaat. De rek is ontstaan door de linkswaarts  gerichte beweging van het Boven-Rijndalslenk. Deze is weer een gevolg van de NW gerichte druk die wordt uitgegeoefend door de beweging van de Afrikaanse schol tegen de zuidrand van Europa. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de Nederlandse geologische ontwikkeling beïnvloedt wordt door de beweging van de continenten, aldus de Vakgroep Kwartairgeologie en Geomorflogie van de Vrije Universiteit in Amsterdam. 

 De Brunssummerheide 

De Brunssummerheide is een bijzonder gebied, een gebied vol historie en betekenis in het Limburgse landschap. Het is niet alleen een recreatieoord, maar ook een zeer bijzonder natuurgebied waarin soorten voorkomen die nergens anders in Nederland  te vinden zijn.

Midden door het landschap van heide, bos en zand stroomt de Rode Beek. De Rode Beek dankt zijn naam aan de rode kleur van het ijzer in de bodem. Rond breuklijnen is vaak ijzer in de bodem te vinden. Het ijzer oxideert en geeft het water een rode gloed. De Rode Beek brengt het gebied schoon, zuiver water. Het water is een bron van leven. De Brunssummerheide is een gebied met een vochtige ondergrond. Op veel stukken is er zelfs moeras te vinden. In dit moeras vinden 

 vele dier- en plantensoorten hun onderkomen. In de zomermaanden is een bepaald gebied enkele weken afgezet voor de paddentrek. Heel bijzonder zijn de vele soorten mossen die de Brunssumse ondergrond bedekken. Er zijn hele studies gedaan naar de vele soorten mossen die hier te vinden zijn. 

Wat ook zeer bijzonder is, is het aanwezige hoogveen. In weinig delen in Nederland is dit nog terug te vinden. Het is een restant uit het Atlanticum, een vrij warme, vochtige periode. In het verleden is hier ook daadwerkelijk turf gestoken. 
De Feldbissbreuk loopt dwars door de Brunssummerheide. Deze breuk is in het landschap terug te vinden. In de jaren 60-70 heeft er een aardverschuiving plaats gevonden rond deze Feldbissbreuk.

Zelfs een grote vijver was niet bestand tegen de kracht van dit verschijnsel. Tijdens dit verschijnsel is het water uit het gehele meer inclusief de vissen uit het meer verdwenen. Een vissersbootje dat tijdens de verschuiving op de vijver dreef, is een paar kilometer verderop teruggevonden. Na de Feldbissbreuk te hebben bezocht, kon ik met eigen ogen de kracht van de aarde aanschouwen. Overal lagen bomen om, die jaren geleden als gevolg van de verschuiving waren omgevallen. Het waren niet alleen kleine bomen, maar ook hele grote eiken en beuken.

 

Anno 2011 is de breuk nog altijd aanwezig in het Limburgse landschap. Het is te zie in een vorm van een steile wal van ongeveer 15 m hoog. Zuid-Limburg herbergt ook een voorraad bruinkool. In de geschiedenis is naast steenkool, ook bruinkool afgegraven worden. Op de Brunssummerheide is de Koffiepoel te vinden. Op het eerste oog zou je deze poel een natuurlijke oorsprong toewijzen, maar niets is minder waar. De Poel is niks anders dan een onderwater gelopen oud-bruinkoolgroeve. In het verleden is op 

deze plaats bruinkool afgegraven. De natuur zoekt zich overal een weg. Ook hier zijn de littekens van de mens door de natuur geheeld.  

Op vele plekken is de invloed van de mens terug te zien. Het is zelfs maar de vraag in hoeverre de natuur eigenlijk wel natuur is. Is niet alles wat we om ons heen zien cultuur?

 Er zijn stukken op de Brunssummerheide waar veel zand te vinden is. Op het eerste gezicht zou je zeggen dat dit witte zand hier altijd heeft gelegen. Maar eigenlijk is het zand een afvalproduct van de bruinkoolgroeven, iets wat door de mens als afval hier is neergegooid. De natuur heeft zich hieromheen weer verder ontwikkelt.  Het zand is bijzonder en kostbaar. Het heeft een aparte kristalachtige structuur.

Een bijzonder gegeven is dat ook In Limburg nog resten van de ijstijd zijn te vinden. De hogere bergen zijn restanten van de ijslob ten tijde van de ijstijden. Ook in Limburg zijn op deze manier, terwijl niet veel mensen het verwachten resten van de ijstijden te zien. 

Op de heide zijn plantensoorten te vinden die nergens anders in Zuid-Limburg te vinden zijn. Een hele zeldzame soort, die slechts op een paar meter op de Brunssummerheide voorkomt, is de okergele vezeltruffel.

Ook zijn er hele bijzondere en aparte biosferen te herkennen. Aparte leefgemeenschappen van bepaalde dieren in een omgeving. In het water van de Rode Beek zetten libellen tussen de waterplanten hun eitjes af. Loslopende honden kunnen dit verstoren en zelfs de eitjes vernietigen.

Op een plek komt grondwater naar boven vanuit een ondergrondse bron. Veel mensen zeggen dat dit water afkomstig is van Sigrano, de bekende zandafgravingsplek. 

 

This free website was made using Yola.

No HTML skills required. Build your website in minutes.

Go to www.yola.com and sign up today!

Make a free website with Yola