De volgende deelvragen worden in het volgende stuk tegelijk beantwoord:

1 Waar lag Nederland?
2 Uit welke periode komen de afzettingen? (welke periodes)
3 Welke afzettingen zijn waar het in Nederland aan het oppervlak. 
4 Waardoor zijn ze er gekomen?
5 Wat is ermee gebeurt, enz. enz.? (= andere info)

Welke periodes zijn er van nu tot begin?
Het holoceen àHeden - 11.800 jaar geleden
Het laat pleistoceen
à 11.800 - 126.000 jaar geleden
het midden pleistoceen  
à126.000 - 781.000 jaar geleden
het vroeg pleistoceen  
à781.000 - 1,8 miljoen jaar geleden
het plioceen  
à1,8 - 5,3 miljoen jaar geleden
het mioceen  
à5,3 - 23 miljoen jaar geleden
het oligoceen  
à23 - 33,9 miljoen jaar geleden
het eoceen  
à33,9 - 55,8 miljoen jaar geleden
het paleoceen  
à55,8 - 65,5 miljoen jaar geleden
het krijt  
à65,5 - 145,5 miljoen jaar
het Jura  
à145,5 - 199,6 miljoen jaar geleden
het Trias  
à199,6 - 251 miljoen jaar geleden
het perm  
à251 - 299 miljoen jaar geleden
het carboon  
à299 - 359,2 miljoen jaar geleden
het devoon  
à359,2 - 416 miljoen jaar geleden
het siluur
à 416 - 443,7 miljoen jaar geleden
het ordovicium  
à443,7 - 488,3 miljoen jaar geleden
het cambrium  
à488,3 - 542 miljoen jaar geleden
tenslotte het precambrium  
à542 miljoen - 4,6 miljard jaar geleden

Laten we beginnen met het precambrium, het tijdstuk dat het grootste deel van de aardgeschiedenis beslaat. Als je het oppervlak en de atmosfeer bekeek, dan zou je niet lang leven, want de atmosfeer toen, oersoep genoemd had een andere samenstelling (vrijwel geen zuurstof, waardoor het oppervlak misschien wel wit was) waarin mensen niet kunnen leven, bovendien was het er heet en niet volledig beschermd tegen kosmische (ultraviolette) straling. De plaattektoniek begon aan het eind van deze fase, het Proterozoïcum van 2,5 miljard tot 542 miljoen jaar geleden. Het supercontinent van toen lag waarschijnlijk op de zuidpool. Tijdens het proterozoïcum lag de zee vol met eencellige groenalgen. Het gevolg was dat de zuurstofconcentratie van de atmosfeer steeg. Hoewel er in Nederland geen gesteenten uit dit tijdperk zijn aangetroffen, zijn er wel sporen van gesteenten uit deze periode: denk hierbij aan zand, dit kan een afbraakproduct zijn van precambrische gesteenten. In Scandinavië en Schotland zijn wel precambrische gesteenten aangetroffen en sommige zijn met de ijstijd meegebracht naar Nederland zoals de hunnebed keien. Het gemiddelde plaatje van dit tijdperk is vaag, we weten dat er ondiepe zeeën waren, hele andere continenten dan nu, die wellicht wit gekleurd waren, maar waar Nederland zoal heeft gelegen is onduidelijk.

Nederland in het Cambrium

Omdat in Nederland zelf nog niet tot dieptes (enkele kilometers) is geboord waarin de gesteentes van zulke vroege periodes liggen, weten we niet veel. Maar aan Cambrische oppervlakgesteentes uit omringende landen en (zwervende)fossielen uit dit tijdperk is er een goede kans dat het een warme zee met een  subtropisch klimaat was die broeide met divers leven. Dit “Nederland” heeft waarschijnlijk gelegen op 60 graden zuiderbreedte en dreef in Noordelijke richting. Het lag toen op de noordkant van een klein continent met de naam Avalonia.

Nederland in het Ordovicium

Tijdens het Ordovicium stierven naar schatting 85% van de soorten uit, Nederland had een noordelijkere ligging gekregen. Er was nog steeds geen landleven, en het zeeleven werd getroffen door een plotselinge vergiftiging van het oceaanwater. Fossielen uit deze tijd zijn bijvoorbeeld aan te treffen in het leisteen in België (Spa). Afzettingen in Nederland van deze tijd liggen ook op zulke diepte dat men er nog geen boringen naar heeft verricht, hoewel er ook aan het oppervlak afzettingen uit dit tijdperk te vinden zijn in de vorm van door het landijs in de ijstijden meegenomen zwerfstenen. Op het einde van het Ordovicium kwam er een botsing tussen het micro continent Balthica en het eerdergenoemde Avalonia, waardoor er een bergenketen ontstond ter hoogte van het huidige Denemarken en Polen. Ook ontstonden er gebergten ten Zuiden van Nederland. Deze periode aan het eind van het Ordovicium heet de Caledonische fase. Op het einde van het Ordovicium brak een van de zwaarste ijstijden ooit uit.

Nederland in het Siluur

Het begin van het Siluur maakt ook een deel uit van de Caledonische fase. Hierin ontstonden gebergten bijvoorbeeld de Ardennen. Avalonia klonterde samen met andere kleine continenten en bleef noordwaarts drijven. Nederland lag nu op 30 graden zuiderbreedte, het was er tropisch. Ten zuiden van Nederland lag alles hoger door Balthica.Delen van Nederland zelf daalde daardoor,de Brabantdepressie, terwijl andere delen van Nederland onder zee stonden. Daar lagen waarschijnlijk koraalriffen. Het leven werd diverser, de eerste landplanten ontstonden en misschien wel ongewervelde landdieren. Dit gebeurde niet op het Supercontinent Gondwana, want dat lag op de Zuidpool, waar het ook toen al koud was. Gesteenten uit die tijd komen aan het oppervlak in de buurt van Brussel. In Zuid-Nederland zijn er bij diepteboringen kwartsieten aangetroffen uit deze tijd. Denk bij kwartswinning aan de zilverzandgroeve in Heerlen of de vuursteenmijnen. De kwarts uit het Siluur kan daarentegen niet gewonnen worden omdat het te diep is voor rendabele winning. Zwerfstenen uit het Siluur zijn te vinden in Noord en Oost Nederland met daarop fossielen van de dieren uit die tijd.

Nederland in het Devoon

De Caledonische fase is voorbij. Nu er twee supercontinenten zijn (Gondwana en Euramerika/Laurazië), ontstaan er veel bergen. Dit is de Hercynische fase. Het is een relatief warme periode. Pas rond het eind hiervan ontstaan gletjers op de zuidpool. Door de bossen was het CO2 gehalte namelijk gedaald. Amfibieën ontstaan, vissen overheersen de zee, bossen het land, hoewel er nog steeds vele soorten uitsterven. Avalonië, waarop Nederland lag, was samen met Balthica en Laurentia (groenland en Noord America) samengeklonterd tot supercontinent Laurazië. De bergketen die ontstond is nu nog duidelijk te zien en is een bewijs van de Plaattektoniek. We hebben het over het Caledonische gebergte, gelegen in Schotland, Noorwegen en in Noord Amerika. Nederland, nog steeds op het zuidelijk halfrond, bleef noordwaarts naar de evenaar bewegen. West Nederland was woestijnachtig, rood gekleurd geoxideerd ijzer, deze woestijn liep van Nederland tot Amerika. Tijdelijke rivieren konden dit afzetten naar waar nu het zuiden van de Noordzee is. In het tegenwoordige Nederlandse Noordzeegebied lagen vermoedelijk vulkanen. Tijdens het Devoon stond de zee juist in het zuiden en oosten van Nederland, terwijl tegen het eind van het Devoon aan had deze tropische ondiepe zee vrijwel heel Nederland bedekt. Op het eind van het Devoon trok de zee zich plotseling terug en ontstond een pakket van afwisselende zand,klei en kleine kalklagen. Hoewel men van het Devoons afzettingspakket een  duidelijk beeld heeft is het delven in deze laag niet rendabel.

Nederland in het Carboon

Het Carboon was een piek in de plaattektoniek: Pangea, in andere woorden betekend dit één groot supercontinent. In deze hete periode ontstaan er gebergtes langs de raakvlakken van de samengekomen microcontinenten. Het is het hoogtepunt van de Hercynische fase.De wereld van het Carboon was een groot moerasbos. Nederland lag aan het noordoosten van Pangea, ongeveer op de evenaar met een langzame beweging noordwaarts. In het vroeg Carboon stond Nederland, zoals in het Devoon, onder een tropiche zee met riffen en een bloeiend zeeleven. Terwijl het Hercynische gebergte in vorming was in midden europa (alpen) werd de zee verder en verder noordwaarts gedreven, vervangen door moerassig bosgebied. Soms won de zee overspoelde het land, vervolgd door een herstel van het moerasbos. Zo ontstonden lagen turf doordat ze dieper kwamen teliggen veranderde dit onder druk uiteindelijk tot kool (lagere concentraties O2 en H2). Aan het eind van het Carboon was de zee verdwenen uit Nederland. De atmosfeer koelde af door het grote stelsel van bossen die CO2 (warm) omzetten in O2 (koud). Het Carboon staat veelal bekend als het tijdperk waarin kool is ontstaan, dit heeft gediend als delfstof en is vooral in limburg dichtbij het oppervlak. Er is zelfs een plek in Epen waar Carboon afzettingen aan het oppervlak komt.

Nederland in het Perm

Het Perm, het laatste tijdperk van het Paleozoïcum, was een veranderde voortzetting op het verleden van Nederland. Een grote verandering, Nederland was namelijk (bijna) levenloos. We hebben het hier over Nederland als woestijnlandschap. Dit is het tijdperk waarin de Nederlandse zoutlagen zijn gevormd. De polen zijn bedekt met ijs. Aan de randen van Pangea lag de superoceaan:Panthalassa, hier was het leven in bloei. De eerste zoogdieren ontstaan, maar worden gedomineerd door de reptielen. Wat er gebeurde was het volgende: Nederland lag nu ten noorden van de evenaar in het Zechsteinbekken.. Door bergen wordt vochtige zeelucht weggehouden. In het regenseizoen zijn er kleine riviertjes Van tijd tot tijd overstroomt het land door zeespiegelstijging, en door de afwezigheid van regen verdampte deze zee na een tijdje, waardoor het zout achterblijft. Zo bleef dit doorgaan tot er een pak zout lag. Natuurlijk vindt je ook woestijnafzettingen in grondlagen van het Perm. Tegenwoordig gebruikt Nederland deze laag om zouten en aardgas omhoog te pompen. In midden en Noord Nederland zitten er paarse en roodbruine afzettingen in de grond uit dit tijdperk. Dit zijn wind en rivierafzettingen: conglomeraten,siltige kleisteen en zandsteen. Ook is er stinkkalk afgezet ,uit de dode algen, moedergesteente van aardolie.

Nederland in het Trias

Na het Perm heeft de grootste uitstervinggolf aller tijde plaatsgevonden, zo’n 95% van alle zeedierensoorten en 70% van de gewervelde diersoorten op het land stierf uit alsmede veel planten. De diersoorten van dinosaurus gaat het overgewicht krijgen. Pangea begint uiteen te breken, meer kustgebieden ontstaan, het wordt warmer en er ontstaan meer vochtige klimaten. Nederland hoort hier niet helemaal bij. In het vroeg Trias lagen er in zuid Nederland riviervlaktes, gevoed door regenwater in het heuvelige achterland. Het was desalniettemin een woestijnklimaat. De afzettingen uit dit tijdperk zijn rode zandsteen en kleisteen. In het Noorden was een meersysteem dat afhankelijk was van de hoeveelheid neerslag. Tijdens het midden Trias was Nederland ondergelopen door de doorgebroken muschelkalkzee,terwijl aan de kust nog steeds woestijnomstandigheden heersten. Op het einde van het Trias (keuperfase) had de zee zich teruggetrokken, en het Noord Europese bekken lag nu ten westen van Nederland, gevoed zowel door Nederlandse als Scandinavische rivieren. Er werden toen bontgekleurd zand- en kleisteen en kalk en ingedampte gesteenten (zouten/mineralen). De kalksteen en steenzout uit Triasafzettingen wordt gewonnen.

Nederland in het Jura

Terwijl Pangea uiteendreef in een Noordkant, Laurazië(2de) en een Zuidkant. Dit Laurazië dreef daarbij ook uiteen. Noord Amerika en Groenland westwaarts en Europa en Azië oostwaarts. De Atlantische Oceaan begon te ontstaan. Nederland lag op 40 graden noorderbreedte, ook was er nog steeds een noordwaartse drijfrichting. In het begin was Nederland bedekt met een zee zuidelijk begrensd door de zuidelijke heuvels van het London-Brabantmassief en in het zuidoosten het heuvellandschap van hetRijnsmassief. Het ontstaan van de Atlantische oceaan ging niet zonder gevolgen, er ontstonden heuvels en sedimentenbekkens, bovendien lag er een vulkaan ten zuiden van vlieland, de zuidwalvulkaan.In het midden Jura is Nederland vergelijkbaar met de Afrikaanse steppe, die steeds droger wordt. Tijdens het Jura werd zand, klei en kalksteen. In het afgette zandsteen kon olie en gas worden vastgehouden (reservoirgesteente). 

Nederland in het Krijt

Het krijt is het laatste tijdsdeel van het Mesosoïcum. De Platen drijven uit elkaar en de wereld begint zijn hedendaagse vorm aan te nemen. Delen van Nederland staan weer onder water. En de zeespiegel bleef stijgen tot heel Nederland veranderde in een zeegebied. Maar hoe komt dit? Doordat er weer meer broeikasgassen in de lucht zaten werd het warmer, waardoor natuurlijk het ijs op de polen smolt. Dit leidde er uiteraard toe dat de zeespiegel was gestegen, zo waren er (net als in Nederland) veel gebieden ondergelopen door ondiep water. Nu was er veel geologische activiteit, dus sommige stukken land kwamen hoger te liggen en wat eerst meren/rivierengebied of laagland was zo nu en dan droog en dan weer ondergelopen totdat op het eind van het krijt de tropische zee Nederland volledig opslokte. Fossielen uit dit tijdperk worden niet veel aangetroffen, maar als ze worden gevonden is dit waarschijnlijk in Limburg (of de achterhoek). Daar komen gesteentes uit dit tijdperk namelijk aan de oppervlakte op sommige locaties. De afzettingen zijn groen zand, en (zowel ruw als zacht) kalksteen. Het zand steen is bovendien gas, olie en water houdend. Op het einde van het krijt sloeg een komeet in op aarde die leidde tot een massa-uitsterving, dit is het bekende einde van het Dinosauriërs-tijdperk.

Nederland in het Paleogeen.

Het Paleogeen, ook wel de eerste helft van het Tertiair genoemd, begint dus met een meteorietinslag. Deze zorgde voor enorme wolken en het veroorzaakte een korte super-winter. Dit beïnvloedde de zonhoeveelheid en dus ook de zeespiegel. Nederland werd steeds meer land. In de plaattektoniek ligt Nederland iets zuidelijker dan nu, vanuit Spanje bewoog het mee tot de huidige locatie van Frankrijk, en beweegt nog steeds langzaam naar het noorden. Terwijl de continenten uit elkaar drijven, drijven India en Afrika steeds meer noordwaarts. Gevolgd door een splitsing van Australië en Antarctica. De zee neemt van het begin in het paleoceen tot aan het einde in het oligoceen steeds meer gebied in en de rivieren die in Nederland stromen eindigen op moerasgebieden die aan de tropische ondiepe zee grenzen. Het was een actieve kustlijn (veel trans/regressie) en het is niet vreemd dat er meerdere sporen van zeeleven uit die tijd zijn gevonden. Op andere plaatsen in Europa lag tropische oerwoud. In deze periode werd er eerst een laag kalk afgezet, daarna een laagje vulkaanas uit Denemarken met erop een pak zand en klei. Deze laatste werd gebruikt voor de productie van dakpannen, bakstenen en keramische spullen. In de dikke laag klei zat ook kalkhoudende klei en zelfs enorme kalkknollen. Naderend het einde van het paleogeen kwam er een omslag in de stijgende temperatuur en het Noordzeebekken met Nederland erop begon te dalen, terwijl op zuidoost Nederland, in het Roerdalslenk, honderden meters afzetting kwam te liggen. De afzettingen van het eind van dit tijdperk zijn niet alleen veel te vinden in Limburg, maar ook bij Twente, doordat Gletsjers de grond er omhoog hebben gestuwd.

Nederland in het Neogeen

Deze periode is verdeeld in het langere Mioceen (begin) en het kortere Plioceen (eind). De Afrikaanse plaat botste op de Europese plaat en de Indische op de Aziatische plaat. Hierdoor kregen de bergketens van de Alpen tot de Himalaya hun tegenwoordige vorm. Aan het zuiden van ons Land lag in het mioceen een kustvlakte die de zee van tijd tot tijd veroverde. De delen van Nederland die niet onder water stonden, waren moerasgebieden. Er werd in het mioceen veel zand afgezet, kleizand en groengekleurd zand maar ook zilverzand, dat aan het oppervlak gevonden kan worden in Heerlen om precies te zijn in Heksenberg (woonplaats Thomas). Het plioceen was een tijd waarin bijna geheel Nederland net als in het Mioceen onder zee stond. De delen die niet onder water stonden waren nog steeds moerasgebied, maar nu waren de maas en de rijn anders gaan lopen, waardoor ze veel gingen lijken op de hedendaagse rivieren. Doordat het Ardennen gebied begon te stijgen, kwamen er ook nog steeds meer erosieproducten naar Nederland. Voornamelijk in het Roerdalslenk werd veel afgezet, maar over heel Nederland zijn ook afzettingen neergelegd. In Noord-Brabant liggen op sommige plekken plioceen afzettingen aan de oppervlakte die door ondergrondse tektoniek omhoog zijn gestuwd. In Duitsland word bruinkool gewonnen uit de pliocene lagen.

Nederland in het Pleistoceen

Het pleistoceen, eerste deel van het kwartair, bevatte maar liefst 52 ijstijden. De zee was teruggetrokken en nieuwe delen land waren ontstaan, toch stonden nog steeds veel delen van Nederland onder water. Nederland lag al op zijn huidige positie en het was een vochtig gebied bestreken door een rivierdelta. In het langzaam stromende water sloeg klei makkelijk neer. Maar ook grind (Limburg) en zand (brabant) en aan de kustlijn kalk werd afgezet. Des te sneller de stroming, des te ruwer de rivierafzettingen. Hoewel Nederland werd overheerst door de rivieren, werd het landschap niet alleen daardoor sterk beïnvloed. De ijstijden hadden namelijk ook grote effect hierop. Het ijs stuwde namelijk heuvels op, genaamd stuwwallen. Denk hierbij aan de Utrechtse heuvelrug en aan de Veluwe. Tijdens de ijstijden werd er daar en ten noorden daarvan ook keileem afgezet. Op de keileemvlaktes kwamen veenmoerassen te liggen. Bovendien werd er door de poolwind vanuit het Noordzeegebied löss en dekzand afgezet. Omdat het Löss fijner is werd dat afgezet in Limburg. Zuidelijker, dan het dekzand.

Nederland in het Holoceen

Het laatste, kortste en huidige tijdperk, Holoceen, is erg belangrijk omdat veel van het landschap zoals we het kennen erin is gevormd. Het is een tijdperk met een redelijk stabiel klimaat en de zeespiegel steeg. In West en Noord Nederland bestaat het oppervlak uit holocene afzettingen.  Er word namelijk stuifzand en rivierafzettingen afgezet, en de mens is actief bezig met het verwerken en benuttigen van de afzettingen. In dit tijdperk word geregeerd door de mens die met de ontginning van grondstoffen producten maakt. Over de toekomst van Nederland is niet veel zeker, het noordwest land zal blijven dalen, de rest zal waarschijnlijk stijgen. Misschien komt er een ijstijd, misschien slokt de zee Nederland op. Grondstoffen en afzettingslagen zijn overal anders, met dwarsdoorsneden kun je dat goed zien, en door de verschillen in lagen kan je de plaat tektonische effecten zien.  


Door de tijden heen zijn er verschillende pakketten sediment afgezet, dingen zoals de klimaatomstandigheden en de plaattektoniek bepaalden welke sedimenten er gevormd werden. Nadat deze zijn afgezet is er nog altijd verandering in de lagen, door aardverschuivingen, de invloed van rivieren en andere vormen van water kunnen de grondlagen veranderen. Zo kunnen sedimenten weggespoeld worden door de zee en bijv. door rivieren en de lucht verweren (afbraak van gesteenten). Men kan vervormingen zien in dwarsdoorsneden van de aarde en deze modelleren.

 

 Hieronder de Bewegingen van west Europa door de tijd

 

This free website was made using Yola.

No HTML skills required. Build your website in minutes.

Go to www.yola.com and sign up today!

Make a free website with Yola